|
|
|
|
|
GEOLOGIE VAN
IJSLAND |
 |
|
Algemeen. IJsland is geologisch
gezien een erg jong land, het is tussen de 16 en 17
miljoen jaar oud, terwijl de aarde al zo’n 4,5
miljard jaar bestaat. Het is ontstaan door
vulkaanuitbarstingen op de oceaanbodem. Het land
ligt midden op de Midden-Atlantische rug, een
scheidingsgebied van een aantal tektoniekplaten die
langzaam uit elkaar drijven, zo’n 2 cm per
jaar. Doordat deze platen uit elkaar drijven krijgt
het onderliggende magma de kans naar de oppervlakte
te komen en daar de ontstane scheuren op te vullen.
Het land is dus hoofdzakelijk opgebouwd uit
vulkanisch materiaal en gesteente.
IJsland wordt nog steeds gemaakt en gevormd: de
aarde hoest, boert en braakt op vele plaatsen.
|
|
In de beginperiode was er maar één breuklijn van
waaruit het land kon ontstaan. De oudste breuklijn
ligt aan het einde van het schiereiland Snæffelsness.
Door de immer voortdurende beweging van de platen
wordt IJsland steeds groter en zijn er op dit moment
meerdere breuklijnen waarop veel vulkanische
activiteit plaats vind.
Er ligt er één bij þingvellir, bij de Krafla vulkaan
en de vulkanen Hekla en Katla.
IJsland zou nooit zo groot zijn geworden zoals het
vandaag is zonder een hotspot onder het zuid oosten
van het eiland. |
 |
|
Een hotspot is een gebied met bovennormale
magmaproductie die niets te maken heeft met de
Midden-Atlantische rug. Ze bevinden zich op een paar
plekken op aarde, juist daar waar de aardkorst
minder dik is en waardoor het magma dichter bij de
oppervlakte kan komen.
Het magma van de hotspot en de Midden-Atlantische
rug staan niet met elkaar in verbinding en hebben
dan ook een andere samenstelling. Het magma van de
hotspot komt van veel dieper, waarschijnlijk van 700
km diepte.
Vulkanen.
Er zijn ongeveer 200 vulkanen op IJsland waarvan er
tenminste 30 een uitbarsting hebben gehad sinds de
kolonisatie. Gemiddeld vind er elke 5 jaar een
uitbarsting plaats.
Op IJsland komen diverse typen vulkanen voor: de
schildvulkaan, de explosiekrater, de spleeteruptie,
de stratovulkaan en de tafelberg.
Tijdens de uitbarsting van gletsjervulkanen, waarbij
enorme hoeveelheden ijs zal smelten, worden
gigantische hoeveelheden modder, ijs, stenen en zand
meegesleurd. Dit wordt ook wel een jökulhlaup
genoemd.
Vulkaanuitbarsting. Het zeer hete gesteente midden in de aarde is niet
gesmolten. Dit komt omdat de druk van de
bovenliggende lagen te hoog is waardoor het niet
vloeibaar kan worden. Zonder de druk van het
gesteente er boven zou het hete gesteente wel
vloeibaar zijn.
Neemt de druk op een bepaalde plek af, bijvoorbeeld
door een aardbeving waardoor er een scheur ontstaat,
dan kan het zeer hete gesteente smelten en een weg
naar boven zoeken.
Het magma kan aan het aardoppervlak komen maar
blijft het onder het aardoppervlak hangen dan stolt
het en heet het plutonisch gesteente.
Komt er steeds meer magma naar boven dan ontstaat er
een magmakamer, en door de afkoeling komen er ook
gassen vrij. De druk wordt steeds groter en zit de
magmakamer dicht genoeg onder de grond dan kan de
aardbodem opengaan en er een uitbarsting volgen.
Als as en stof kilometers hoog de lucht in wordt
gespoten kan het maanden duren voordat alles weer op
aarde is geland.
Thermische activiteiten. Thermische
activiteiten ontstaan vooral daar waar het magma
niet door de aardkorst heen drinkt maar er wel vlak
onder ligt. Deze magma verwarmd de aarde en ook het
zakkende regen -en grondwater. Door de hitte wordt
de druk erg hoog en stijgt het opgewarmde water en
de vrijgekomen gassen van het warme magma naar
boven.
Hierdoor ontstaan er in dit soort gebieden
solfatoren, fumerolen en geisers.
Solfataren zijn dampen
of gassen die sterk zwavelhoudend zijn, zoals
zwaveldioxide, waterstofsulfide, zwaveltrioxide of
zwavel in dampvorm. Deze zwavel kan zich aan de rand
van de solfatare afzetten. Het zijn vaak
modderpoelen of slijkpoelen.
Een fumarole is een
opening in de aardkorst, vaak in de nabijheid van
vulkanen of in vulkanisch actieve gebieden. Uit deze
opening komen warme tot zeer hete gassen en dampen
vrij. Deze gassen of dampen bestaan voornamelijk uit
waterdamp en kooldioxide, maar er kunnen ook giftige
dampen bij zitten.
Geisers. Een geiser
bestaat uit een bolvormige kom met daaronder een
lange diepe pijp die leidt naar een diepe kamer. Hoe
werkt een geiser: terwijl de geiser zich vult met
water koelt het bovenop liggende water af. Het
koudere water bovenop drukt op het hetere water
onderop, ongeveer zoals een deksel op een
hoge drukketel. Hierdoor raakt het water oververhit
en uiteindelijk wordt de temperatuur onderin de
geiser zo hoog dat het water, ondanks de druk, toch
begint te koken. Er ontstaat stoom en aangezien
stoom een groter volume heeft dan water wordt het
aanwezige water boven de stoom met een enorme kracht
omhoog gestuwd en het water spuit naar boven.
Uiteindelijk loopt de druk terug en koelt het water
weer af tot onder het kookpunt. Langzaam begint het
grondwater weer binnen te dringen en de cyclus
begint opnieuw.
Rondom de geiser zie je vaak terrassen van afgezet
mineralen die na afkoeling van het water uit het
water worden onttrokken. Door de constante
bevloeiing van nieuw warm water groeien deze
terrassen, die hoger en hoger worden, en daardoor
steeds meer water vasthouden. |
|
 |
Meren en rivieren. Veel
meren op IJsland zijn ontstaan door terugtrekkende
gletsjers, bodemverzakkingen, landverschuivingen,
rivieren die stremmen, volgelopen kraters of als ze
zijn ingedamd door lavadijken.
Er zijn ook nog meren die zich onder de gletsjers
bevinden en waar dus al het smeltwater wordt
verzameld.
Er zijn twee soorten rivieren op IJsland:
gletsjerrivieren en regenwaterrivieren. De
gletsjerrivieren zitten
vaak vol puin, zijn troebel en hebben vaak een
geelbruine kleur.
De grootste rivieren zijn o.a. de Thjórsá (lengte
van zo’n 230 km), de Jökulsá á Fjöllum (lengte van
zo’n 206 km), de Ölfusá (lengte van zo’n 185 km), de
Skjálfandafljót |
|
(lengte van zo’n 178 km) en de
Jökulsá á Dal (lengte van zo’n 150 km).
Watervallen.
Watervallen zijn er in alle soorten en maten. Dit
komt doordat IJsland geologisch gezien erg jong is
en grote delen bestaan uit harde basaltlagen
afgewisseld met poreuze aslagen. Ook
heeft de erosie nog niet de scherpe kantjes van het
landschap afgesleten. Mede hierdoor en door de grote
hoeveelheden aan regen –en smeltwater is het land
rijk voorzien van watervallen.
Eén van de grootste watervallen is Gullfoss, ook
bekend als de ‘gouden waterval’. De hoogste
watervallen zijn o.a. Glymur (190m), Haífoss (122m)
en Hengifoss (118m). De krachtigste waterval is
Dettifoss.
Gletsjers. Door
klimaatsverandering zijn ook de gletsjers op IJsland
opmerkelijk dunner geworden en trekken zich terug.
Tot op heden (2009) is het land voor 11,5% bedekt
met ijs, oftewel zo’n 11.800 km². De dikte van het
ijs is het laagst in het noordwesten, hier heeft het
een dikte van zo’n 750 m. Aan de noordkant van de
Vatnajökull is het ijs het dikst, zo’n 1500m. De
Vatnajökull is de op drie na grootste ijskap van de
wereld, alleen de ijskappen op Antarctica,
Spitsbergen en Groenland zijn groter.
De grootste gletsjers op Ijsland zijn: de
Vatnajökull (ongeveer 8400 km²), Langjökull
(ongeveer 950 km²), Hofsjökull (ongeveer 925 km²),
Mýrdalsjökull (ongeveer 600 km²) en de Drangajökull
(ongeveer 160 km²).
Hoe ontstaat een gletsjer: bovenop een berg valt
sneeuw, veel sneeuw. De druk van de sneeuw wordt
steeds groter en veranderd langzaam in ijs. Door de
druk van het ijs en de warmtestraling van de aarde zal
het ijs onder aan de massa gaan smelten. Hierdoor
ontstaat er een soort glijbaan, en de sneeuw en het
ijs die op een helling liggen glijden langzaam naar
beneden.
In IJsland kan dat soms wel een meter per dag zijn.
En zo is een gletsjer geboren.
Fjorden. Een fjord is
een inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door
steile wanden die door gletsjers zijn uitgesleten en
gevormd. Tijdens de ijstijden, het zeeniveau was
lager dan nu, schuurden de gletsjers de dalen uit
die later weer zijn volgelopen met water. De langste
fjord, met een lengte van ongeveer 60 km, ligt in
het noorden van IJsland en heet Eyjafjörður. |
|
|
|
|